Aan een priester
Geen schoner herinnering zal ik dragen,
met mij, als ik heen ben gegaan,
dan het beeld van uw priesterlijke ogen,
die steeds zacht waren voor mij.
Geen roerender bekentnis kan ik geven
dan dat ik U diep heb bemind
om de wijding van uwe handen,
die steeds wilden zorgen voor mij.
God en wij tweeën weten alleen,
wat wij voor elkander waren
Gij waart een vader en een moeder voor mij
en ik was het kind van uw zorgen.
Vergeef mij, dat ik , achteloos kind
uw liefde zo dikwijls beproefde,
ik was een wilde vogel van 't woud
en die geeft zich niet graag gevangen.
ik begreep niet het gebaar van uw hand
die gij mij in liefde reikte
om mij te voeren langs veilige weg
naar de Bron van Vrede en Liefde.
Deze weg ging door uw eigen hart,
de koele ingang van het woud
waar diep de Bron verborgen ligt
die ik door U heb gevonden.
Ik hield van de rust op Uw kamer,
van de rijen boeken en de lamp
die mij de stilte gaf van een avond,
waarop de maan in de hemel stond.
Ik dank U voor de woorden,
waaronder mijn hoofd zich boog
of in nieuwe moed zich richtte,
opnieuw tot strijden bereid
Ik dank U voor de vele keren
dat gij 's avonds knielde bij mij
Ik voelde mij alsof het Christus was
die zelf zich over mij boog.
In blij aandenken zult gij wezen
en opdat Christus liefde door U
vruchtbaar zij in vele harten
bid ik voor U.
Uit een schrift van Jef Stassen ,
waarschijnlijk geschreven omstreek 1939-1941
Het schrift bevindt zich met vele andere,
in het rijksarchief.